In principe is bv. een elektron een oneindig grote structuur, want je kan het altijd verder verdelen in kleinere delen (een wiskundig punt is nu éénmaal oneindig klein). Als je kan stellen dat 0.00000000000000000000000000000000000000000001 nanometer (ik zou nog verder kunnen gaan

) een uiterst verwaarloosbare afstand is t.o.v. 0 km, dan kan je dus ook zeggen dat de grootte van een elektron grofweg overeenkomt met de grootte van het heelal (ten opzichte van een wiskundig punt is het immers even groot).
Toch is dit verschil in grootte ontzagwekkend voor de mens, alleen maar omdat wij qua grootte ergens tussenin bengelen; deze gedachte vloeit voort uit de grootte van de mens, we vergelijken groottes constant met elkaar. Moesten wij amper groter zijn dan een zandkorrel, zouden we een lieveheersbeestje immens vinden, (ook al is het dier daarbij in absolute lengte niet groter geworden).
Over naar de kern van de zaak, in principe kunnen er dus alsmaar kleinere deeltjes gevonden worden. Waarom zou er geen kleinere structuur bestaan dan die, in relatieve normen, reusachtige waarde van 10 tot de macht -35 m, de lengte van een 'snaar'? Of de mens deze kleinere structuren ooit zal waarnemen, dat is nog de vraag. Maar de natuur geeft nu eenmaal geen bal om die vraag; de natuur is niet gemaakt opdat wij haar volledig zouden doorgronden; de natuur Ãs er gewoon.
Toch kan het zijn dat het heelal bijna niets meer te maken heeft met deze kleinere structuren, dat men m.a.w. een theorie van alles kan opstellen, zonder rekening te houden met die structuren. Daarom moet de mens niet opgeven deze theorie te zoeken.