Er wordt weleens gezegd dat veel wetenschappers uit de geschiedenis autisme hadden.
Zelf heb ik ook autisme en ik vind dat het wel een hoop verklaard over de obsessieve toewijding aan de wetenschap die bij veel wetenschappers zelfs in extreme handelingen en experimenten ontaarden.
Neem bijvoorbeeld Newton, die zichzelf een lange naald in zijn oogkas stak en deze flink ronddraaide alleen om te zien wat er zou gebeuren. Of Richard Owen die zo aan anatomie gewijd was dat hij ledenmaten en organen van lijken leende om ze thuis te ontleden.
Autisten hebben vaak een ontzettende gedetailleerde kijk op bepaalde dingen en iets wat interressant is wordt vaak een obsessie 'preocupatie' waar dag en nacht aan besteed wordt. Wat onderhand ook wel nodig is als je in de wetenschap tot een goede nieuwe resultaten wilt komen.
In het boek 'Een kleine geschiedenis van bijna alles' schrijft Bill Bryson over veel verschillende wetenschappers die bijna allen sociaal veel onvermogen hadden. Nog één van de kenmerken van autisme.
Henri Cavendish bijvoorbeeld was zo ontzettend mensenschuw dat hij alleen per brief wou communiceren. Het enige waar hij de deur voor uit kwam was een wekelijkse wetenschappelijke bijeenkomst en dan mocht niemand hem persoonlijk aanspreken.
Het valt natuurlijk niet meer te bewijzen dat veel wetenschappers ook daadwerkelijk autisme hadden. Maar ik herken als autist zijnde zelf wel veel overeenkomsten en vind het wel een aardig idee dat juist deze mensen zo'n vooruitgang boekten voor de maatschappij en de wetenschap.
